Foto van Carolien van Eykelen

De manier waarop we met wol omgaan vind ik hartverscheurend

Interview met Carolien van Eykelen

Als transitieregisseur Groene Stromen bij de gemeente Rotterdam heeft Carolien van Eykelen een helder doel: in 2030 moet minimaal de helft van het organisch afval in de stad hoogwaardig worden hergebruikt. Eén van die afvalstromen is wol. Want je gelooft het niet, maar in de enige echte metropool van Nederland grazen maar liefst 2.500 schapen.

“De schapen in Rotterdam fungeren als ‘groene grasmaaier’. Ze houden het gras in de openbare ruimte kort op de plekken waar een normale grasmaaier moeilijk komt, zoals taluds. Hun mest is bovendien goed voor de vruchtbaarheid van de bodem. Én ze leveren per jaar zo’n zesduizend kilo wol.”

“Die wol brengt in Nederland bijna niets meer op. Voor witte wol krijgt een herder tien cent per kilo; om van zijn gekleurde wol af te komen moet hij zelfs 20 cent betalen. Dat loont de moeite niet. Veel wol wordt dan ook verbrand of verscheept naar China. Ongelofelijk zonde. Daarom zijn we in 2020 het project De Zachte Stad begonnen, samen met ontwerper Christien Meindertsma.”

“De opdracht aan Christien was: onderzoek welke kwaliteiten er in de Rotterdamse wol zitten en bedenk voor iedere kwaliteit een hoogwaardige toepassing. In theorie zouden we op die manier voor alle wol een bestemming kunnen vinden. We hebben haar ook gevraagd om het hele proces te documenteren met fotografie en film. Op die manier kunnen we leren van de dingen die we doen. Dat leren vinden we belangrijk, omdat bijna alles wat we in ons programma Rotterdam Circulair doen nieuw is.”

“Het resultaat was spectaculair: de ruwe eigenschappen van de wol bleken uitermate geschikt voor onder meer dekens, tapijten, truien, mutsen, meubels en auto-onderdelen. Dat contrast vind ik dus hartverscheurend: aan de ene kant wordt er nonchalant met het materiaal omgesprongen – het wordt verbrand of weggegooid – terwijl het tegelijkertijd zó waardevol is. Ook al heeft onze wol niet de zachte eigenschappen van merinowol, je kunt er zo veel meer mee dan je denkt. Het zou mooi zijn als we in de toekomst ook weer bedrijven in de stad krijgen die met wol aan de slag gaan.”

“Niet iedereen was gelijk even enthousiast. Als ik naar die kritische geluiden had geluisterd, was ik nooit aan dit project begonnen. Zesduizend kilo is feitelijk helemaal niks. Per jaar hebben we bijvoorbeeld 2,3 miljoen kilo afgevallen blad en 2.500 bomen die we rooien. Dat zijn heel andere hoeveelheden. Een les van dit project is dat de hoeveelheid materiaal niet leidend moet zijn. Het gaat erom met welk materiaal je mensen in hun hart kunt raken. Nou, dat zit bij wol wel goed. Het beroert veel mensen: je oma breide vroeger altijd, of je fietst elke dag langs de grazende schapen. Iedereen heeft wel iets met wol.”